Glas vanuit drie invalshoeken:
kwaliteit, duurzaamheid en gezondheid

Themasessie ‘Nieuwe ontwikkelingen in glas’ – 15 september 2026

Hoe beoordeel je de visuele kwaliteit van beglazing correct? Hoe kan de vlakglasindustrie haar CO₂-uitstoot verder terugdringen? En welke invloed hebben glas en daglicht op onze gezondheid?

Tijdens de FAC-themasessie van 15 september belichtten Joeri Luckermans, Marc Foguenne en Paul Roman deze drie invalshoeken.

Niet elke zichtbare afwijking is een gebrek

Joeri Luckermans, Technisch Adviseur bij Buildwise, ging in op de visuele kwaliteitsbeoordeling van beglazing. Die beoordeling is minder eenvoudig dan ze lijkt. Glas is immers transparant én reflecterend. Lichtinval, kijkhoek, omgeving en productieproces kunnen het uitzicht beïnvloeden. Bovendien bestaat moderne beglazing vaak uit meerdere glasbladen, coatings en tussenlagen. Niet elk zichtbaar verschijnsel is daarom een productiefout of een reden tot afkeur.

Voor verschillende glassoorten bestaan specifieke normen. Voor isolerende beglazing vormt NBN EN 1279-1:2018 het belangrijkste referentiedocument. Daarnaast zijn er afzonderlijke normen voor onder meer floatglas, gecoat glas, thermisch gehard en heat-soaked glas, halfgehard glas en gelaagd glas.

De omstandigheden waarin het glas wordt beoordeeld, zijn doorslaggevend. Volgens NBN EN 1279-1 moet isolerende beglazing bij diffuus daglicht worden bekeken, zonder direct zonlicht of kunstlicht. De beoordeling gebeurt in doorzicht en niet in reflectie, zo loodrecht mogelijk en vanop een afstand van drie meter. De observatietijd bedraagt maximaal één minuut per vierkante meter. Mogelijke fouten mogen niet vooraf worden gemarkeerd, omdat zo’n aanduiding de aandacht van de waarnemer rechtstreeks naar de betrokken plaats leidt.

De norm verdeelt de beglazing bovendien in verschillende beoordelingszones. De toegelaten afmetingen en aantallen van puntfouten en krassen hangen af van de zone waarin ze voorkomen en van de oppervlakte van het glas. Een kleine afwijking aan de rand wordt dus niet noodzakelijk op dezelfde manier beoordeeld als een afwijking in de centrale zichtzone.

Aan de hand van een aantal praktijkgevallen illustreerde Joeri Luckermans hoe uiteenlopend de verschijnselen kunnen zijn die tijdens een plaatsbezoek worden vastgesteld. Het kan onder meer gaan om puntfouten, krassen, sporen van impact, afdrukken op het glasoppervlak, beeldvervorming, een beperkte golving van het glas of korrels droogmiddel tussen de glasplaten. Dit zijn slechts enkele voorbeelden: in de praktijk kunnen nog tal van andere verschijnselen, oorzaken en mogelijke defecten voorkomen. Elk geval moet daarom afzonderlijk worden onderzocht en getoetst aan de norm of het referentiedocument dat voor het betrokken glastype van toepassing is.

Sommige verschijnselen die bij een plaatsbezoek duidelijk zichtbaar lijken, vormen niet automatisch een reden tot afkeur. Zo kunnen afdrukken van rollen, vacuümzuignappen, etiketten of vingers alleen zichtbaar worden bij condensatie, regen, reiniging of een specifieke lichtinval. Bij thermisch gehard glas kan door het transport over keramische rollen tijdens het hardingsproces een beperkte golving ontstaan. Ook temperatuur- en luchtdrukschommelingen of hoogteverschillen kunnen het reflectiebeeld van isolerende beglazing beïnvloeden. De presentatie maakte tegelijk duidelijk dat deze voorbeelden maar een klein deel vormen van de mogelijke vaststellingen.

Een correcte beoordeling begint daarom altijd met de vraag of het glas onder de voorgeschreven omstandigheden werd bekeken. Pas daarna kan worden vastgesteld om welk verschijnsel het gaat en of dit binnen de geldende toleranties valt. De technische beoordeling bepaalt bovendien of een afwijking toelaatbaar is, maar niet automatisch welke commerciële of contractuele oplossing moet worden gekozen.

CO₂-reductie vraagt elektrificatie en circulariteit

Marc Foguenne, Vice President Sustainability, AGC Architectural Glass Europe & Americas, schetste de inspanningen en uitdagingen om de CO₂-uitstoot van de vlakglasproductie verder terug te dringen. Het floatproces is wereldwijd sterk gestandaardiseerd en vereist hoge temperaturen en een continue productie. De belangrijkste bronnen van uitstoot zijn het energieverbruik van de smeltovens en de grondstoffen waaruit het glas wordt gemaakt.

De gemiddelde directe CO₂-uitstoot per geproduceerde ton vlakglas is in Europa sinds 1990 al sterk gedaald. De omschakeling van olie naar aardgas, verbeterde ovenontwerpen en een betere procescontrole hebben daartoe bijgedragen. Met de huidige technologie zijn echter nog maar beperkte bijkomende efficiëntiewinsten mogelijk. Een verdere structurele daling vraagt ingrijpendere innovaties.

Een eerste belangrijke hefboom is elektrificatie. Bij electroboosting wordt een deel van de energie die traditioneel met aardgas wordt opgewekt, vervangen door elektriciteit. Een concreet voorbeeld is Volta, een gezamenlijk project van AGC en Saint-Gobain in Tsjechië. Het project ging in 2025 van start en vormt een belangrijke stap in de toepassing van elektrische ondersteuning bij het smelten van glas.

De volgende stap is een veel verder doorgedreven elektrificatie van de smeltoven. AGC en Saint-Gobain plannen in Avilés, Spanje, een hybride oven die voor 75 procent elektrisch en voor 25 procent op aardgas zal werken. Deze installatie zou vanaf 2027 ongeveer 80.000 ton CO₂-uitstoot per jaar vermijden. Dat komt neer op een halvering van de uitstoot ten opzichte van een conventionele oven. Het aardgasverbruik zou met ongeveer 80 procent dalen.

De klimaatwinst van elektrificatie hangt uiteraard af van de herkomst van de gebruikte stroom. Om het volledige potentieel te realiseren, is voldoende betaalbare groene elektriciteit nodig. Daarnaast vragen de aanpassing van bestaande installaties en de bouw van nieuwe ovens aanzienlijke investeringen. Ook de beschikbare infrastructuur en de impact op de productiekosten blijven aandachtspunten.

Een tweede belangrijke hefboom is het gebruik van glasscherven of cullet. Scherven smelten bij een lagere temperatuur dan de primaire grondstoffen waaruit glas wordt gemaakt. Daardoor daalt het energieverbruik en wordt ook minder CO₂ uitgestoten. Eén ton scherven vervangt bovendien ongeveer 1,2 ton primaire grondstoffen zoals zand, soda en dolomiet.

Voor koolstofarm glas kunnen interne scherven, productieresten van glasverwerkers en post-consumer glas uit renovatie- en sloopprojecten worden ingezet. Vooral bij die laatste stroom ligt nog een groot onbenut potentieel. Een succesvolle gesloten kringloop vraagt echter selectieve demontage, gescheiden opslag, gespecialiseerde verwerking en een strenge kwaliteitscontrole. Keramiek, stenen, metalen, spiegels en andere verontreinigingen kunnen het productieproces verstoren.

Circulariteit is daarom geen opdracht voor de glasproducent alleen. Glaszetters, gevelbouwers, aannemers, slopers, ontwerpers en afvalverwerkers moeten samenwerken om voldoende zuivere en traceerbare materiaalstromen te creëren. De combinatie van elektrificatie en een hoger aandeel scherven is een van de belangrijkste routes naar vlakglas met een lagere koolstofvoetafdruk.

 

 

Van lichttransmissie naar lichtkwaliteit

Paul Roman, Retired Senior Product & Specification Manager, Saint-Gobain Glass, verlegde de aandacht van energieprestaties naar de invloed van licht op comfort en gezondheid. De ontwikkeling van beglazing werd de afgelopen decennia vooral gestuurd door energetische prestaties. Enkel glas maakte plaats voor dubbel en drievoudig glas, coatings werden performanter en zonwerende beglazing kreeg een hogere selectiviteit en een neutraler uitzicht.

Naast de U-waarde, de zonnetoetredingsfactor en de totale lichttransmissie komt vandaag een bijkomende vraag naar voren: welke kwaliteit van daglicht bereikt de gebruiker nadat het licht door het glas en de coatings is gegaan?

Licht maakt niet alleen zien mogelijk, maar beïnvloedt ook biologische processen. Naast de bekende staafjes en kegeltjes bevat het netvlies lichtgevoelige ganglioncellen met het pigment melanopsine. Deze cellen spelen een rol bij de regeling van het circadiane ritme en reageren sterk op licht in het blauw-cyaan gedeelte van het spectrum, rond 480 nanometer.

Daglicht heeft daardoor onder meer invloed op het slaap-waakritme en de alertheid. Niet alleen de hoeveelheid licht is van belang, maar ook het tijdstip, de duur en de spectrale samenstelling ervan. Natuurlijk daglicht verandert bovendien gedurende de dag van intensiteit en kleur, wat het onderscheidt van veel vormen van kunstlicht.

Glas vormt letterlijk een filter tussen binnen en buiten. Coatings met uitstekende thermische en zonwerende eigenschappen kunnen bepaalde delen van het lichtspectrum anders doorlaten. Een hoge totale lichttransmissie vertelt daarom niet noodzakelijk het volledige verhaal over het licht dat uiteindelijk het oog bereikt. Ook kleurweergave, kleurneutraliteit en de doorgifte van biologisch relevante golflengten verdienen aandacht.

De huidige normen behandelen dit biologische aspect nog maar beperkt. EN 17037 over daglicht in gebouwen focust voornamelijk op daglichttoetreding, uitzicht naar buiten, bezonning en beperking van verblinding. Energieprestatieregels richten zich vooral op de U-waarde, de g-waarde en de energie-efficiëntie. In gezondheidsgerichte ontwerpkaders voor onder meer scholen, kantoren en zorggebouwen krijgt mensgerichte verlichting wel steeds meer aandacht.

Voor toekomstige glas- en gevelontwikkelingen ligt de uitdaging daarom in het combineren van thermische isolatie, zonwering, lichttransmissie, kleurneutraliteit, esthetiek en kwalitatief daglicht. Waar vroeger vooral werd gevraagd hoe laag de U-waarde was, komt nu ook de vraag op hoeveel biologisch relevant daglicht het oog bereikt nadat het door de beglazing is gefilterd.

 

Glas in ontwikkeling

De drie presentaties illustreerden hoe veelzijdig de ontwikkelingen in de glassector zijn. Naast technische prestaties krijgen ook een correcte kwaliteitsbeoordeling, de verduurzaming van de productie en de invloed van daglicht op gezondheid en comfort steeds meer aandacht. Elk van deze thema’s brengt eigen uitdagingen met zich mee en biedt nieuwe aanknopingspunten voor de verdere ontwikkeling van glas en beglazing.

Eerder publiceerden we ook een artikel over de vernieuwde Vitralys-rekentool en de nieuwe berekening van gelaagd glas.